photo

Het wettelijke kader voor radio en televisie

Als men het over de “audiovisuele” pers heeft, dan wordt in één adem zowel radio als televisie genoemd. Maar in het auteursrecht ligt het niet zo eenvoudig. In het auteursrecht wordt met “audiovisueel” enkel de televisie bedoeld.

En die televisiepers is een “bijzonder geval” in het auteursrecht… voor de radiopers zijn er daarentegen geen uitzonderlijke regels. Het regime waaraan de radiojournalist onderworpen is, de principes die zijn werk beschermen, zijn in feite precies dezelfde als die voor een journalist van de geschreven pers.

We herinneren hier enkel aan de grote lijnen en de weinige verschillen…

 

In de radiopers

De wet beschermt de originele werken, dat zijn werken waarin het talent, de ideeën en de originaliteit van de auteur tot uiting komen. Persartikelen, radio- of televisiereportages, pagina’s op een website zijn dus meestal (maar niet altijd), originele werken.

Die originele werken zijn “beschermd” want – zegt de wet – ze zijn eigendom van de auteurs, we noemen ze “de rechthebbenden”. Het werk maakt deel uit van het vermogen van de auteur. Zijn nakomelingen kunnen het erven (zolang de beschermperiode loopt, wat tientallen jaren is).

Of hij nu bediende is of zelfstandige, een radiojournalist kan aan zijn zender enkel het recht overdragen om zijn werk te gebruiken voor een welbepaald doel (bij voorbeeld uitzenden in het radionieuws van een bepaalde dag). Concreet: elk hergebruik van een reportage is verboden zonder specifiek akkoord dat een afwijking op die regel mogelijk maakt. Er kan dus geen sprake van zijn dat een zender een tekst van een nieuwsuitzending opnieuw gebruikt en op de website van de zender zet, zonder eerst de toestemming van de journalist te hebben verkregen.

De thuiskopie, uitsluitend bedoeld voor het beluisteren in familiekring, is een bijzonder geval.

Men kan zich immers moeilijk voorstellen dat wie een radioreportage opneemt waarin men het heeft over een brand in zijn straat, of de uitzending “voor jongeren” waarin zijn zoon op een schitterende manier “zijn” Europees project verdedigt, verplicht zou worden eerst een contract te ondertekenen met de journalist!

In dat geval draait de wet de verplichtingen eigenlijk om: in principe heeft iedereen de toestemming om voor privé-gebruik geluidswerken op te nemen. Daar staat tegenover dat iedereen die opnameapparatuur bezit (cd, dvd, hifi…) en iedereen die blanco dragers koopt (geluidsbanden, vhs cassettes, cd, dvd…) een bijdrage aan Auvibel moet betalen, dat is de vennootschap waarbij auteurs, uitvoerders en producers aangesloten zijn die hun deel van de rechten moeten ontvangen die werden betaald bij aankoop van materiaal of een geluidsdrager.

Zo zal de heer Janssens, die voor zijn studie een opname maakt van een uitzending of muziek kopieert met enkel en alleen de bedoeling ze privaat te gebruiken en in familiekring te beluisteren feitelijk gebruik maken van wat wordt genoemd de “wettelijke licentie”. Een “speciale toestemming”, die de wetgever hem verleent, om in bepaalde omstandigheden een werk te kopiëren, zonder eerst de toestemming van de auteur te hebben verkregen.

Auvibel is dus de “tegenhanger” van Reprobel, de organisatie die waakt over de auteursrechten van geschreven en gedrukte teksten. Auvibel houdt zich bezig met  alle werken die niet op een papieren drager gereproduceerd worden.

Het spreekt vanzelf dat de wet een reeks uitzonderingen opsomt bij de uitvoering van voornoemde principes. Zonder al te veel in detail te gaan, geven we hier enkele voorbeelden: het citaatrecht (waardoor een deel van het werk mag heruitgezonden worden), de bloemlezingen voor het onderwijs, de herneming in het kader van uitzendingen over actuele gebeurtenissen, het gratis beluisteren in familiekring, de parodie, enz…

 

In de televisiepers

De wetgever heeft het over “audiovisueel” wanneer het bedoelde werk

  1. Origineel is
  2. uit beelden is samengesteld
  3. in beweging is.

De originaliteit van een werk slaat niet op het feit of het nieuw of onuitgegeven is. Het is niet de informatie die telt (want die is niet beschermd), wel de manier waarop, de “stempel” van de auteur op zijn werk gedrukt wordt.

Wanneer aan deze drie criteria voldaan is dan wordt het werk – de reportage – automatisch door de wet beschermd. Volgens de wet geldt eigenlijk als algemene regel dat niemand een werk mag gebruiken zonder op voorhand de toestemming van de auteur te hebben verkregen. De “auteur” heeft dus rechten.

Dit is natuurlijk te mooi om waar te zijn. De werkelijkheid zit iets ingewikkelder in elkaar… Onder meer omwille van een bijzonder nefast concept in het auteursrecht: het vermoeden van overdracht dat van toepassing is op de beeldpers (maar nièt op de geluidpers).

Het betekent dat “behalve wanneer een contract het tegendeel bewijst, men er van uitgaat dat de auteur (of hij nu ambtenaar, bediende of freelance is) zijn rechten aan de producer heeft afgestaan”.

Dat betekent dat, wanneer u een televisiewerk wil gebruiken, de kans groot is dat u de toestemming moet vragen aan een televisiezender die het werk produceerde of een verdeler die een auteur-journalist werk gaf. Maar dat is niet altijd het geval!

Wees voorzichtig, dat “vermoeden van overdracht” houdt in – en houdt enkel in – dat de producer het recht heeft het werk in audiovisuele vorm uit te baten. Dat betekent dat de niet audiovisuele gebruiken niet zomaar toegestaan zijn. Met andere woorden: de auteur is normaal gezien niet “van al zijn rechten beroofd” door het vermoeden van overdracht. Blijven over of zouden moeten overblijven…

Zijn niet-audiovisuele uitbatingrechten, als daar zijn…

  1. de publicatie van zijn scenario of zijn commentaar op een papieren drager
  2. de publicatie van zijn commentaren op het internet
  3. het gebruik van stille beelden uit zijn reportage
  4. het afzonderlijke gebruik van geluid uit zijn reportages (zijn commentaren, zijn muziek…)
  5. de merchandising, de reclame of de promotie enz…
  6. zijn morele rechten (zie verder)
  7. zijn recht op verschillende andere vergoedingen of bijdragen waaronder die voor
    • de thuiskopie (zie verder) op vhs, cd of dvd
    •  het uitlenen en het verhuren (in bibliotheken of mediatheken bij voorbeeld)

 

De morele rechten

Maar wat uiteindelijk wellicht het belangrijkste is, zowel voor de radio als voor de televisie, is alles wat te maken heeft met de ethiek, met de deontologie van de journalist. En zelfs zaken die slaan op zijn morele, politieke of filosofische keuzes.

In feite zegt de wet dat men het recht heeft zijn werk te ondertekenen. Dat ondertekenen mag wanneer men het wil en op de manier waarop men het wil. Met zijn naam, een alias of zelfs een geleende naam. Dat noemt men het recht op naamgeving.

De wet zegt ook dat een werk niet mag aangetast worden, bij voorbeeld door het in te korten, te verlengen of te veranderen zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Die regel is zo goed als absoluut en wordt het recht op de integriteit van het werk genoemd.

De wet zegt nog dat de auteur de enige is die kan beslissen wanneer en op welke manier een werk mag verdeeld worden, publiek gemaakt, uitgebaat. Hij kan dus zeggen “het is nog te vroeg”. Hij kan zelfs zeggen “ik wil het niet meer publiceren”. Dat is het recht op verspreiding.

Tot slot kan de auteur zich altijd verzetten tegen een uitbating van zijn werk die hem kan kwetsen, nadeel berokkenen of die hem niet past. Hij hoeft zich daarvoor niet te verantwoorden voor zover hij van dat recht geen misbruik maakt.

Die morele rechten zijn niet overdraagbaar. Dat betekent dat de auteur er geen afstand van kan doen (zelfs wanneer hij de verdediging ervan tijdelijk overdraagt, bij voorbeeld aan een auteursmaatschappij).

---

De thuiskopie

Tot slot is het zo dat iedereen in België het recht heeft zowel radio- als televisiewerk te kopiëren, zo lang dat “in de private sfeer” gebeurt. Dat is wettelijk voorzien. Men hoeft de auteur niet op voorhand om zijn toestemming te vragen. Dat noemt men een “wettelijke licentie” (een toestemming die door de wet - niet door de auteur - werd gegeven).

Allemaal goed en wel… maar hoe wordt dan het verlies van de auteurs, de producers en de uitvoerende kunstenaars gecompenseerd? Hoe wordt de schade die ze lijden vergoed?

Heel eenvoudig: door een bijdrage te organiseren, een forfaitaire inning op de dragers (cassetten, cd’s, dvd’s,…) en op de toestellen (bandopnemers, jukeboxen, walkmen…) die de kopieën mogelijk maken.

Alle betrokkenen werkten samen een Koninklijk Besluit uit waarin de grootte van die bijdragen wordt vastgelegd (bij voorbeeld 0,23 € per mogelijk opname-uur op een CD of 0,59 € op een DVD). De vennootschap Auvibel werd bij Koninklijk Besluit aangewezen om de bijdragen te innen en onder haar leden te verdelen, de beheersvennootschappen voor auteursrechten, die ze op hun beurt doorstorten aan de betrokken auteurs, uitvoerders en producers.

Aan dit systeem van wettelijke licentie zijn een aantal voordelen verbonden: het garandeert een vergoeding aan de zwaksten (auteurs en uitvoerders); het is eenvoudig en evenwichtig (want onderhandeld onder het toezicht van de overheid). Het heeft echter ook een belangrijk nadeel: het “treft” alle gebruikers zonder onderscheid, ook zij die een blanco cd kopen om er hun eigen creaties op te zetten.

Daarom vindt Europa dat het om een tijdelijke uitzondering moet gaan op de normale regels van het auteursrecht. Een uitzondering die aanvaardbaar is zo lang de technische systemen (de Digital Rights Management of Techische Bescherming Maatregelen) niet in staat zijn de uitbating van de werken fijnmazig te meten.

Het spreekt vanzelf dat de industrie nu beweert dat de DRM-systemen op punt staan en dat aan de uitzondering een einde moet komen. Maar dat zou de beste manier zijn om de auteurs hun laatste rechten te ontfutselen en de consumenten aan het Orwelliaanse monopolie van die industriëlen over te leveren.