photo

Het wettelijke kader voor de geschreven pers

 

De wet voor de geschreven pers

Of hij nu een werknemerscontract heeft dan wel freelance werkt, een journalist is net als om het even welke andere auteur. Zijn artikelen (voor zover hij er zijn eigen stempel op drukte) zijn beschermde werken en niemand mag ze “zomaar” gebruiken. De teksten zijn dus, van bij hun ontstaan, automatisch en bij wet beschermd.

Elk hergebruik dat een uitgever of een andere gebruiker ervan wil maken, moet het onderwerp zijn van een afzonderlijke, duidelijke overeenkomst die aan een aantal verplichte vormvereisten voldoet.

Zo is het bij voorbeeld nodig een speciale overeenkomst voor de auteursrechten af te sluiten om

  1. Artikelen van de auteur-journalist te hernemen op de website van de uitgever
  2. Die artikelen ter raadpleging te laten opnemen in een gegevensbank zoals die van Pressbanking of Mediargus
  3. Die artikelen opnieuw te publiceren in een zusterblad van de groep (synergieën)
  4. Een boek uit te geven waarin een reeks kronieken van eenzelfde auteur worden opgenomen of over eenzelfde onderwerp

Dezelfde redenering geldt voor om het even welke gebruiker die bij voorbeeld

  1. Uw tekst opnieuw wil publiceren in het tijdschrift van zijn vereniging (zelfs wanneer hij daarin zelf wordt geïnterviewd)
  2. Uw artikel of uw foto wil gebruiken in een verkiezingspamflet of in een reclamefolder
  3. Uw tekst op zijn website wil zetten
  4. Systematisch samenvattingen wil maken van uw teksten, waardoor u niet meer zou kunnen genieten van de vruchten van uw werk

In al die gevallen moet die gebruiker – of hij nu uw uitgever is of niet – op voorhand uw toestemming gekregen hebben. In die toestemming moet onder meer worden opgenomen wat is toegestaan, voor hoe lang, op welke plaats op de planeet, tegen welke voorwaarden, tegen welke betaling…

We merken tot slot op dat de auteur nauwelijks in staat is zelf alle aspecten van zijn auteursrecht te beheren. Men kan zich immers moeilijk voorstellen dat hij, bij voorbeeld, alle scholen zou aandoen om er zijn rechten op te eisen voor fotokopieën die men er wellicht van zijn werk heeft gemaakt!

In sommige gevallen heeft de wet dus op een verstandige manier de zaken vereenvoudigd. Ze zegt eigenlijk “ik, de wet, laat toe dat men op die of die manier gebruik maakt van een beschermd werk zonder op voorhand de toestemming van de auteur te vragen”. Dat noemt men de “wettelijke licentie”, omdat het de wet is die de gebruiker toestemming geeft. Daar staat tegenover dat de wet voor compensatie zorgt door een systeem uit te werken dat de rechthebbenden eerlijk vergoedt.

Dat gebeurt bij voor beeld bij het reprografierecht dat iedereen het recht geeft fotokopieën voor privaat gebruik te maken. In dergelijk geval passen de beheersvennootschappen een systeem voor collectief beheer toe dat door henzelf werd uitgewerkt. Zo is er bij voorbeeld het systeem van Reprobel, (dat de rechten int, - het bedrag werd vastgelegd in een koninklijk besluit – op de fotokopieermachines die in gebruik zijn en op de fotokopieën die erop gemaakt worden).

Dan is er ook het geval van de “thuiskopie” (uitgewerkt door de vennootschap Auvibel) die iedereen het recht geeft om voor eigen gebruik kopieën te maken op CD of Dvd.

Al wat voorafgaat, slaat voornamelijk op het vermogensrecht (ook materieel of financieel recht genoemd…).

Naast dat alles is er ook nog het morele recht. Dat recht houdt verband met de ethische kwesties van het vak en met de kwaliteit van het geleverde werk.

 

Het morele recht omvat concreet…

  1. Het recht op bekendmaking. Dat betekent dat de auteur soeverein beslist of zijn werk af is en of het mag publiek gemaakt worden.
  2. Het recht op naamsvermelding. Dat stelt dat de auteur en hij alleen erover beslist of het werk ondertekend moet worden, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met een pseudoniem. Hij kan zelfs beslissen dat een derde het vaderschap mag opeisen.
  3. Het recht op respect voor de integriteit van het werk. Daardoor kan de auteur zich verzetten tegen “elke vervorming, verminking of wijziging”, of tegen “elke mogelijke aantasting” van zijn werk waarvoor hij geen toestemming heeft gegeven. Hij kan dat zelfs blijven doen wanneer hij een deel van zijn morele rechten al heeft afgestaan.

Het morele recht is “onvervreemdbaar” zegt de wet. De auteur kan er wel afstand van doen of het overdragen, maar dat kan slechts gedeeltelijk: de wet zegt: “de globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig”.