
Individueel en collectief recht
Men kan eenvoudig stellen dat het auteursrecht uit twee grote «inningssectoren» bestaat: de collectieve rechten en de individuele rechten.
De individuele rechten kunnen individueel zowel als collectief beheerd worden (via een erkende beheersvennootschap). Het gaat er eigenlijk om aan een gebruiker een “primair” gebruiksrecht te geven of een licentie die hem het recht geeft het werk uit te baten of opnieuw te gebruiken. Als algemene regel in de wet geldt dat niemand een origineel werk – een artikel bij voorbeeld – mag gebruiken zonder voorafgaandelijk de toestemming van de auteur te hebben verkregen en zonder dat een overeenkomst werd afgesloten die onder meer vastlegt welke vergoeding de auteur zal krijgen. De JAM ondertekent dus voor zijn leden met verschillende gebruikers een serie collectieve contracten.
Daartegenover staat dat de collectieve rechten enkel… collectief mogen beheerd worden. Het gaat hier bij voorbeeld over de reprografierechten (fotokopieën) of thuiskopieën (op een digitale drager). De wet voorziet hier een uitzondering op zijn basisregel: om een werk te gebruiken (te fotokopiëren of te kopiëren voor privaat gebruik) is op voorhand toestemming van de auteur niet nodig (gelukkig maar!). Dat heet de wettelijke licentie. In ruil voor die wettelijke licentie verplicht de wet dan weer alle eigenaars van een fotokopieertoestel bij een erkende beheersvennootschap een recht af te kopen, en op die manier een soort bijdrage te leveren. Voor de reprografie wordt dat – ten onrechte – de Reprobel ”taks” genoemd. Voor de thuiskopie worden de inningen door de vennootschap Auvibel gedaan.
In de hiernavolgende teksten zult u meer leren over het collectieve recht en meer bepaald over de “oorden” waar de JAM die collectieve rechten int.
Het collectieve recht
De regel luidt als volgt: het auteursrecht is een individuele zaak – die collectief kan geregeld worden – en vooraleer men het werk van een auteur mag gebruiken (bij voorbeeld een artikel), moet men eerst de toestemming van die auteur bekomen.
Maar op de regel bestaan er uitzonderingen. De Belgische wet stelt bij voorbeeld dat een serie rechten enkel op collectieve manier geregeld kan worden. Dat betekent enkel door tussenkomst van een erkende beheersvennootschap. De wet stelt ook dat in sommige gevallen de voorafgaande toestemming van de auteur zelfs niet nodig is.
Dat is bij voorbeeld het geval bij de reprografie (de fotokopie voor privaat gebruik) of de thuiskopie in familiekring (op een digitale drager). Gelukkig maar.
Men kan zich inderdaad moeilijk voorstellen dat, telkens een vader een fotokopie van een artikel maakt voor de schoolvoordracht van zijn zoon, hij verplicht is eerst een overeenkomst te onderhandelen met de journalist die de tekst heeft geschreven! Of dat telkens iemand voor privaat gebruik op een cassette een onderwerp van het televisienieuws wil opnemen, hij eerst een overeenkomst moet ondertekenen met de betrokken journalist en zijn zender!
De gebruiker in kwestie beschikt dus over wat men noemt een “wettelijke licentie” (een principiële toestemming die door de wet, niet door de auteur, is toegekend). In ruil voor dat “cadeau”, voor die uitzondering die aan private personen wordt toegekend, legt de wet aan alle personen die er gebruik van maken een serie verplichtingen op. Zo moeten zij een bijdrage leveren aan een organisatie die de rechten int… en die op haar beurt de rechthebbenden moet vergoeden. Voor de reprografie is die organisatie Reprobel, voor de thuiskopie gaat het om Auvibel. De JAM is lid van beide vennootschappen.
De reprografie
Om een fotokopie voor privé-gebruik te maken, hoeft men dus niet eerst de toestemming van de auteur te bekomen.
Maar daarom is het nog niet toegestaan de vergoeding van de rechthebbenden te negeren. En dus preciseert de wet dat alle bezitters van fotokopieermachines aan de maatschappij Reprobel een bijdrage moeten leveren in verhouding tot het aantal fotokopieën dat ze van beschermde werken maken.
Alle ondernemingen en hun bijkantoren, de openbare instellingen, de zelfstandigen… die één of meer fotokopieermachines bezitten, worden daarom elk jaar verzocht aan Reprobel mee te delen hoeveel fotokopieën ze van beschermde werken hebben gemaakt. Ze worden ook verzocht haar de rechten daarvoor over te maken, rechten die uiteindelijk bij de rechthebbenden zullen belanden.
Reprobel is sinds 1998 actief. Het is een maatschappij waarin beheersvennootschappen (van auteurs en uitgevers) aandeelhouder zijn. De JAM maakt daar uiteraard deel van uit. Reprobel verzamelt en verdeelt de rechten onder de vennootschappen omdat – uiteindelijk – een gebruiker beschermde werken heeft gefotokopieerd voor privé-gebruik.
De thuiskopie
Parallel met Reprobel is de maatschappij Auvibel actief op het vlak van de thuiskopie. Ook hier mogen de gebruikers – dank zij de wet – voor hun privé-gebruik werken die ze op een wettelijke manier verkregen, kopiëren op een digitale drager (CD, DVD, televisie-uitzending). Hiervoor is het niet nodig eerst een contract met de rechthebbenden te ondertekenen.
Maar dat betekent niet dat de vergoeding voor de auteurs mag worden “vergeten”. Daarom int Auvibel op de opnameapparatuur (CD-brander, DVD, VHS…) en op de blanco dragers een bijdrage waarvan het bedrag ook is vastgelegd in een koninklijk besluit.
De JAM maakt ook deel uit van Auvibel en net als de andere beheersvennootschappen eist ze er de rechten op die aan de auteurs van radio, televisie, film… die ze vertegenwoordigt, toekomen.
Het leenrecht
Sinds 1992 voorziet zowel het Belgisch als het Europese recht dat de auteurs voor het uitlenen van hun werken moeten vergoed worden. En sinds 1992 krijgen de Belgische auteurs niets. Is dat normaal? Zeker niet. Verwonderlijk? Nog veel minder als we die Belgische kanjer van een misser van naderbij bekijken.
In 1992 keurt de Europese Unie een richtlijn goed over “Auteursrechten: leen- en huurrecht” met de bedoeling die materie op het hele grondgebied te harmoniseren. Twee jaar later beslist het Belgische parlement dat voor de sector van het auteursrecht een “wettelijke licentie” zou gelden wanneer de uitlening “georganiseerd wordt met een educatief en cultureel doel door instellingen die door de overheid officieel worden erkend en georganiseerd”.
Met andere woorden: een auteur kan er zich helemaal niet tegen verzetten dat zijn werken door een openbare bibliotheek uitgeleend worden, maar die beperking van het algemene systeem van de auteursrechten moet gecompenseerd worden door een “vergoeding voor openbare uitlening”.
De regering moet het bedrag en de betalingswijze van die vergoeding vastleggen, na overleg met de gemeenschappen en de beheersvennootschappen. Met andere woorden: een koninklijk besluit moet een systeem op punt stellen dat vergelijkbaar is met dat van de reprografie. Tien jaar lang, tot 2002, gebeurde er niets! Na veelvuldige en vruchteloze pogingen hadden de beheersvennootschappen er genoeg van. Ze besloten de Belgische staat te dagvaarden en eisten ze 75 miljoen euro (wat overeenkomt met 10 euro per lid gedurende tien jaar, zonder de intresten).
Tegelijk nam ook de Europese Commissie na een klacht een standpunt in: ze stelde de Belgische staat in gebreke en droeg haar op de richtlijn toe te passen ter bescherming van alle Europese auteurs.
In 2004 “regelt” de Belgische regering de kwestie, of liever, ze veegt het probleem van tafel. Het lijkt erop alsof de Belgische staat nu de Europese richtlijn respecteert maar in de feiten gebeurt er niets. Het KB zit slecht in elkaar, is niet uitvoerbaar, zit in de houdgreep van een aantal Franstalige tussenkomsten met slechte bedoelingen. Voor de auteurs is dit KB bovendien vernederend.
Het Koninklijk besluit van 2004 dat de kwestie van het leenrecht “regelt” voorziet dat de beheersvennootschappen…
- voortaan 1 euro per jaar mogen innen per volwassene die in een openbare bibliotheek een boek leende
- 0,5 euro per jaar mogen innen per minderjarige die een boek leende
- Bij een groot aantal bibliotheken niets kunnen innen omdat zij genieten van een uitzonderingsregel
- dubbels moeten vermijden (twee bibliotheken doen betalen voor eenzelfde persoon die in twee verschillende bibliotheken is ingeschreven)
- het geld rechtstreeks bij de bibliotheken kunnen innen of, eventueel, het geld gecentraliseerd innen bij elke gemeenschap die daar vrijwillig wil aan meewerken.
Reprobel werd door al diegenen die het leenrecht kunnen opeisen aangesteld en door de regering opgedragen om die wetgeving in de praktijk om te zetten.
Geen enkele beheersvennootschap was ooit van plan de bibliotheken of de gemeenschappen te “wurgen”; noch om de cultuur voor het grote publiek de doodssteek toe te brengen. Maar geen enkele vennootschap had zich ooit kunnen voorstellen dat de regering de auteurs op een dergelijke manier zou vernederen. “Eén euro of een halve euro: dat is minder dan wat men in een parkeermeter stopt, dat is het wettelijke tarief in België, op die manier worden de auteurs beroofd”, zo stellen de beheersvennootschappen vast.
Volgens de meest optimistische schattingen zou de globale inning in het beste geval 1,9 miljoen euro per jaar opleveren (daarmee moeten journalisten, producers, uitvoerders van muzikale werken, filmmakers en auteurs van boeken betaald worden)! Dat komt neer op 0,19 euro per inwoner. In Nederland betaalt elke ontlener al 3,32 euro per jaar. In Frankrijk bedraagt de gemiddelde jaarlijkse inning 0,6 euro per inwoner.
Daar komt bij dat het raadplegen van kranten en tijdschriften “gratis” is toegestaan in de bibliotheken (uitgevers en auteurs hoeven niet vergoed te worden). Enkel de boeken die door journalisten werden geschreven en de geluids- en beeldreportages kunnen aanleiding geven tot het eisen van een vergoeding. Naar alle verwachting zal dat een belachelijk laag bedrag zijn.
In deze kwestie worden federale en gemeenschapsbevoegdheden door elkaar gehaald en de bibliothekenlobby voerde en voert nog steeds een campagne onder het motto “De beheersvennootschappen voor auteursrechten willen de volkscultuur de doodsteek toebrengen”.
Waarop de beheersvennootschappen antwoorden: “Niet waar! Vele Europese landen zijn erin geslaagd het probleem op te lossen zonder exorbitante kosten voor de staat, de bibliotheken of de ontleners. Niemand stelt het principe van de bibliotheken in vraag, maar waarom wordt het recht op vergoeding van de auteurs in twijfel getrokken? Is het zo moeilijk te vatten dat de auteurs zelf in de eerste plaats schrijven… om gelezen te worden? En als men hun creaties niet vergoed, dan zullen zij geen nieuwe ideeën, kennis, cultuur, discussieonderwerpen meer creëren. En wat zullen de bibliotheken hun leden dan aanbieden?”
De digitale kopie
Een artikel scannen, het opslaan op zijn harde schijf, er een “exemplaar” van printen, er aan collega’s per e-mail een kopie van doorspelen… dat is het domein van de “digitale kopie”.
Voor al die gebruiken, die reproducties is in principe de toestemming van de auteur vereist… Die toestemming is ook net zo onmogelijk als voor een fotokopie, waarvoor ze niet meer vereist is en waarvan ze - dank zij de technische evolutie - een nieuwe vorm is.
Op federaal niveau zijn verschillende werkgroepen aan de slag gegaan om te onderzoeken hoe en in welke mate voor de digitale kopie een systeem zoals voor de reprografie zou kunnen opgezet worden.
Het kabelrecht
Ook het kabelrecht wordt door de auteurswet geregeld. Het zou een redelijke vergoeding moeten garanderen voor de rechthebbenden… waar de journalisten-auteurs (van de audiovisuele media) enkel zeer onrechtstreeks deel van uitmaken.
Die sector van het auteursrecht bevindt zich momenteel in een crisis, meerdere geschillen worden voor de rechtbanken uitgevochten, onder meer aanhangig gemaakt door de kabelmaatschappijen.